Voor de spraak zijn stem, tong, lippen, kaken, gehemelte en adem essentieel. Articulatie is de beweging in de mond- en keelholte om spraakklanken goed te kunnen produceren. Deze bewegingen kunnen zowel op de in- als uitademing gebeuren, met en zonder stemgeving. Om duidelijk te kunnen spreken gebruiken we wel 100 spieren die goed moeten samenwerken. Het goed uitspreken van woorden en zinnen is dus een vrij ingewikkeld proces.
Hier zijn veel mensen zich niet bewust van. Bij de logopedie leer je om de uitspraak te verbeteren. Mogelijk klinkt de klank wel goed maar wordt deze niet op de juiste manier geproduceerd, denk hierbij aan slissen/lispelen. De /s/ klinkt dan wel als een /s/ maar wordt met de tong tegen of tussen de tanden gemaakt. Ook bij nasaliteit klinkt de klank anders doordat tijdens het praten te veel of juist te weinig lucht door de neus gaat. Het kan ook zijn dat de klank wordt vervangen door een andere klank of zelfs wordt weggelaten.
Hierdoor klinkt het woord [koekje] als [toetje] of [spelen] als [pejen].
Als de spraakontwikkeling duidelijk achterblijft bij die van leeftijdsgenootjes spreken we van een spraakontwikkelingsstoornis. De logopedist neemt een articulatieonderzoek af waaruit duidelijk wordt welke spraakklanken nog niet (goed) geproduceerd worden. Naargelang de leeftijd wordt er in overleg een behandelplan opgesteld en wordt er samen gewerkt aan het verbeteren van de uitspraak.
Dysartrie is een spraakstoornis die wordt veroorzaakt door een beschadiging van het zenuwstelsel. Hierdoor werken de spieren die nodig zijn voor het ademen, de stemgeving en de uitspraak onvoldoende. De spraak is dan vaak onduidelijk, een zachte of hese stem, en eentonig of nasaal. De logopedist zal onderzoek doen naar de articulatie en de ademhaling en beoordeeld de stem.
Bij een verbale ontwikkelingsdyspraxie is er sprake van een onvermogen om de spraakspieren juist aan te sturen, zodat de spraakklanken samen woorden en zinnen worden. Bij de logopedie leren we je hoe je de klanken goed moet uitspreken (tongplaatsing, lipronding, etc.) volgens een hiervoor speciaal ontwikkelde behandelmethode.
Door taal kunnen we onze gedachten, gevoelens en wensen kenbaar maken en met elkaar communiceren. Voor ieder mens is taal dus een cruciaal hulpmiddel. Wanneer iemand problemen heeft met taal, staat dit een goede communicatie in de weg. Werken aan taal is dus werken aan een betere communicatie. Maar taal is ook een heel ruim begrip. Het is overal, in ieder land en elke stad of dorp. Dit kan zijn verbaal en non-verbaal. Met taal kunnen we bedoelen het begrijpen van taal, het produceren van taal, het kunnen leggen van verbanden, goed vervoegen van woorden en het maken van correcte zinnen of het begrijpelijk vertellen van een verhaal. Zo kunnen we nog wel even doorgaan.
Op het consultatiebureau wordt er o.a. ook goed gekeken naar de taalontwikkeling. Steeds jongere kinderen worden verwezen naar de logopedie als er problemen zijn met de spraak- en/of taalontwikkeling. Deze zijn namelijk onlosmakelijk met elkaar verbonden.
De logopedist voert meestal een observatie uit om te kijken hoe het kind communiceert en hoe ouders daarmee omgaan. Soms zijn enkel adviezen voldoende om de spraak en taal van jouw kind te stimuleren en gaan we het monitoren om er zeker van te zijn dat de groeiende ontwikkeling zich doorzet.
Besluiten we samen om toch logopedie op te starten gaan we spelenderwijs de taalontwikkeling stimuleren.
Twijfel je of ben je ongerust over de taalontwikkeling van jouw kind.
Dan kun je ook
thuis de taaltest doen.
Lees hier meer over niet tot nauwelijks sprekende kinderen.
Soms is er sprake van een taalontwikkelingsstoornis (TOS). Dit een is neurocognitieve ontwikkelingsstoornis waarbij de taal in de hersenen minder goed wordt verwerkt. Naar schatting heeft 7% van de kinderen in de leeftijd van 5 jaar te maken met een taalontwikkelingsstoornis. Een kind met TOS kan grote moeite ervaren met het spreken of het begrijpen van taal. Op de website van Kentalis staan
de kenmerken van een TOS.
Pas na een algeheel ontwikkelingsonderzoek kan er bepaald worden of er sprake is van een TOS. Samen met de logopedist wordt er bepaald welke behandeling het beste bij jullie past. Dit kan zijn indirecte therapie waarbij ouders geïnformeerd worden hoe je zo goed mogelijk de taalontwikkeling kan stimuleren. Of directe therapie waarbij er intensieve samenwerking is tussen jouw kind, jou en de logopedist.
Taalstoornissen bij meertalige kinderen komen ook voor. De logopedist zal bij kinderen die meertalig opgevoed worden altijd de anamnese meertaligheid afnemen. Alles wat een probleem kan veroorzaken in een eentalige ontwikkeling, heeft ook effect op de meertalige ontwikkeling. Daarnaast kunnen ook problemen in de meertalige ontwikkeling veroorzaakt worden door een kwalitatief en/of kwantitatief achterblijvend aanbod in de verschillende talen. Een achterstand in één/beide/alle talen kan resulteren in een leerachterstand.
De logopedist gaat navragen of er in alle aangeboden talen problemen zijn en gaat in kaart brengen waar de knelpunten zijn. Indien mogelijk wordt de logopedische behandeling opgestart en zal er worden gewerkt aan zowel de taalproductie als het taalbegrip.
Wanneer als gevolg van hersenletsel één of meer onderdelen van het taalgebruik niet meer goed functioneren, noemt men dat afasie. Dit betekent dat iemand niet meer kan zeggen wat hij wil doordat hij de taal minder goed kan gebruiken dan voorheen. Geen afasie is hetzelfde, de ernst en omvang zijn onder andere afhankelijk van de plaats en ernst van het hersenletsel, het vroegere taalvermogen en iemands persoonlijkheid. Zo snel mogelijk na het ontdekken van het hersenletsel wordt er onderzoek gedaan door een logopedist naar de ernst. Aan de hand van de uitslag en mogelijkheden wordt er in overleg met jou en je omgeving een behandelplan opgesteld.
Iedereen kan stemklachten krijgen. Denk bijvoorbeeld aan heesheid, een schorre stem, het wegvallen van de stem (afonie), een stem die verandert in de loop van de dag, de stem klinkt anders dan normaal, vermoeid gevoel bij het stemgeven dat zelfs in het hele lichaam voelbaar kan zijn, irritatie of pijn tijdens of na het praten of een vervelend gevoel in de keel (globusklachten).
Oorzaken
Er zijn veel factoren die een invloed hebben op de stem.
Door verkeerd stemgebruik of wanneer de stem meer belast wordt dan hij aankan, kunnen er stemklachten optreden.
Oorzaken voor stemklachten kunnen ook organisch zijn zoals stembandknobbels (noduli), poliepen enzovoorts.
Deze oorzaken worden vastgesteld door een KNO-arts. Maar ook bij organische oorzaken van stemklachten kan logopedie helpen.
Stembandknobbels ontstaan door verkeerd stemgebruik. Ze zijn te vergelijken met eeltknobbels. Deze verdwijnen meestal vanzelf wanneer je je stem goed gaat gebruiken.
Wanneer een operatie aan je stembanden nodig is, schrijft de KNO-arts meestal ook logopedie voor. Zo leer je voor en na de operatie hoe je je stem goed kan gaan gebruiken.
Wat doet de logopedist / stemtherapeut?
We beginnen met het in kaart brengen van alle factoren die een invloed hebben op je stem. Hierbij kijken we samen naar de belasting van de stem, de omgeving waarin je je stem gebruikt en psychische factoren. We hebben ook aandacht voor de arbeidsomstandigheden zoals akoestiek en omgevingslawaai, de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van je stem en de duur van de stembelasting.
De logopedist/stemtherapeut voert daarna een stemonderzoek uit om te kijken wat de mogelijkheden en belastbaarheid van je stem zijn. Hierbij letten we ook op de lichaamshouding, ademhaling en uitspraak. Daarna stellen we samen met jou een persoonlijk behandelplan op maat op, afhankelijk van je hulpvraag en de uitkomsten van het stemonderzoek. We leren je hoe je het best voor je stem kan zorgen en hoe je je stem op een gezonde manier zo goed mogelijk kan laten klinken in verschillende situaties. We leren je verschillende technieken aan en meestal geven we je ook oefeningen voor thuis mee. Wanneer de draagkracht van de stem toeneemt, zal de belastbaarheid verbeteren. Hierdoor komen de stembelasting en stembelastbaarheid in evenwicht.
Veel mensen hebben last van globusklachten. Dat verklaart misschien waarom er zoveel spreekwoorden over gaan.
“Ik kreeg een prop in de keel”
“Ik krijg er een krop van in mijn keel”
“Het zit me tot hier”
“Iets opkroppen”
“Het is niet te verkroppen”
“Het hangt me de keel uit”
“Ik zat met een dichtgeknepen keel”
“Dat is een bittere pil om te slikken”
“Ik moet veel dingen wegslikken”
Globusklachten
Globusklachten ontstaan en verergeren meestal langzaam. De meest voorkomende oorzaak is een te hoge spierspanning in het keelgebied. Vaak hebben mensen al langere tijd last van globusklachten. Dat is jammer, want het is niet nodig omdat het vaak met logopedie te verhelpen is.
Wat doet de logopedist?
Samen kijken we naar de klachten en zoeken we naar de redenen waarom de spierspanning in het halsgebied opbouwt.
We gebruiken manuele facilitatie van de larynx (MFL), ook wel bekend als larynxmanipulatie of strottenhoofdmassage om de spierspanning te verlagen. Daarnaast geven we je adviezen en oefeningen zodat je zelf kunt leren om je keel- en halsspieren te ontspannen.
Wanneer de spanning opbouwt door de manier van stemgeven, leren we je ook hoe je je stem goed en meer ontspannen kan gebruiken. Hierbij kijken we ook naar de ademhaling, lichaamshouding, de ligging van de tong en de manier van slikken.
We horen verschillen tussen de manier waarop mannen spreken en de manier waarop vrouwen spreken. Het meest opvallend is de hogere toonhoogte bij vrouwen. Dat komt omdat de stembanden van vrouwen sneller trillen dan die van mannen. Bij vrouwen ligt dat rond de 220 Hz en bij mannen rond de 120 Hz. Daartussen ligt een genderambigue zone (150 tot 185 Hz), dus deze zijn niet perfect van elkaar te onderscheiden. Er zijn echter nog andere verschillen. Over het algemeen variëren vrouwen de toonhoogte meer en spreken ze met iets minder borstresonantie en iets zachter dan mannen. Ook de manier van articuleren, het leggen van klemtonen en de woordenschat verschillen.
Bij transgender mannen leidt een hormoonbehandeling automatisch tot een wijziging van de toonhoogte, maar toch kunnen zij zeker ook baat hebben bij logopedie.
Bij transgender vrouwen leidt een hormoonbehandeling niet automatisch tot een verandering van de toonhoogte. Om de stem van transgendervrouwen te verhogen, zijn er twee opties: logopedische therapie of fonochirurgie. Ook wanneer gekozen wordt voor een operatie wordt geadviseerd om dit te combineren met logopedie. Logopedie is meestal de eerste keuze. Logopedie start meestal bij het opnemen van de vrouwelijke genderrol.
Wat doet de logopedist?
We werken altijd samen vanuit jouw hulpvraag. Nadat we jouw stemgebruik en de stemmogelijkheden hebben onderzocht stellen we samen met jou een persoonlijk behandelplan op.
We kunnen werken aan het veranderen van de toonhoogte, maar ook aan andere aspecten zoals toonhoogtevariaties, articulatie, resonantie, woordkeuze en adempauzes. Daarnaast besteden we ook aandacht aan de non-verbale manieren waarop we communiceren zoals mimiek, bewegingen en lichaamshouding.
Het doel is niet zomaar om de toonhoogte te veranderen, maar om samen te zoeken naar een manier van communiceren en stemgeven die bij jou past en goed voelt voor jou.
We slikken ongeveer 2000 keer op een dag. Als dit iedere keer op een verkeerde manier gebeurd heeft dat een negatieve invloed op de stand van de tanden. Een beugel kan de tanden dan wel weer op de goede plaats zetten, maar als de slik foutief blijft, gaan de tanden na de beugel toch weer verplaatsen. Eten en drinken slikken we bewust door maar het doorslikken van speeksel gebeurd voornamelijk reflexmatig en dus onbewust. Je kan bijvoorbeeld met je tong tegen de binnenkant van je voortanden aanduwen tijdens zo’n slik. Hierdoor verplaatsen je voortanden steeds een klein beetje. Uiteindelijk kan er een overbeet of openbeet ontstaan.
Een andere afwijkende manier van slikken is met de tong tegen de zijkant van het gebit duwen. Hierdoor ontstaat er ook een openbeet maar dan aan een of beide zijkanten van het gebit.
Vaak word je vanuit de tandarts of orthodontist gestuurd naar de logopedist. Na de anamnese gaan we foto’s maken van je gebit en maken we een filmpje van de slik. Hiermee kunnen we precies zien wat er verkeerd gaat tijdens zo’n slik. Vaak wordt er dan OMFT opgestart. Dit staat voor Oro-MyoFunctionele Therapie. Dit betekent eigenlijk dat we het evenwicht in het functioneren van de spieren in de mond en tong weer terug in balans gaan brengen en de tong gaan leren waar deze zich moet plaatsen in rust en tijdens het slikken. OMFT is een behandelmethode die veel motivatie en inzet vereist. Na de anamnese en het onderzoek wordt er 10 weken intensief thuis geoefend en kom je 1 keer per week naar de logopedische behandeling. Ook vinden er nog een aantal nacontroles plaats om er zeker van te zijn dat de gecorrigeerde slik goed blijft gaan en er geen sprake is van terugval.
In sommige gevallen wordt er geadviseerd om de logopedische behandeling te combineren met het gebruik van een myobrace. Dit is een trainer/bitje gemaakt van siliconen die een uur overdag moet worden gedragen en gedurende de nacht. Hierdoor train je extra de goede tongpositie in rust en kan er niet met de tong tegen of tussen de tanden geslikt worden.
Ongeveer 5% van de kinderen en 1% van de volwassenen stottert. Stotteren komt vaker voor bij mannen dan bij vrouwen. Stotteren ontstaat meestal tussen het 2e en 5e levensjaar.
Bij stotteren verlopen de spraakbewegingen niet vloeiend. Klanken of lettergrepen worden verlengd of herhaald. Dat zijn de kernstotters. Iemand die stottert heeft niet altijd last van deze kernstotters. Stotters worden vaak uitgelokt door verschillende factoren zoals onder andere spreeksnelheid, spanning, vermoeidheid en sprongen in de ontwikkeling bij jonge kinderen.
Stotters zijn niet prettig om te ervaren omdat je merkt dat je even geen controle hebt over je spreken. Reacties hierop kunnen zijn: met veel kracht een klank eruit proberen te persen, een ander woord kiezen, maar even niets zeggen, meebewegen met je gezicht of lichaamsdelen enz. Vaak is dat maar het zichtbare topje van de ijsberg. Daaronder kunnen veel gevoelens en gedachten een rol spelen. Je kan schaamte, boosheid, angst voor reacties van anderen enz. voelen, je kan het idee hebben dat je niet goed bent in praten, niet geschikt bent voor een bepaalde baan…. Dat maakt stotteren een complex probleem dat een grote impact kan hebben op iemand zijn leven.
Over de oorzaak van stotteren zijn er in de loop van de tijd tal van theorieën gevormd. Zo dacht men vroeger dat stotteren te maken had met een verkeerde manier van ademen. Tegenwoordig weten we uit wetenschappelijk onderzoek dat de ademhaling van iemand die stottert wel verstoord kán geraken, maar dat het niet de oorzaak van het stotteren is. We weten nu dat stotteren een neuromusculair coördinatie-/ timingsprobleem is en dat sommige mensen hier meer aanleg voor hebben dan anderen. Soms is dit een erfelijke aanleg. Dat betekent dat mensen met deze aanleg net iets meer moeite hebben om de meer dan 100 spieren die actief zijn bij het spreken snel en gecoördineerd aan te sturen.
Stotteren bij kinderen tot 6 jaar
Omdat de spraak en taal van kinderen tussen 2 jaar en 5 jaar een grote ontwikkeling maakt, zien we bij jonge kinderen vaker normale onvloeiendheden. Een kindje kan een woord of een stuk van een zin herhalen of stopwoorden zoals “euh” gebruiken. Kinderen die stotteren hebben naast deze normale onvloeiendheden ook stotters waarbij ze delen van een woord herhalen, vasthangen op een klank of een klank langer maken.
Het is belangrijk dat de begeleiding van ouders zo vroeg mogelijk begint om de kans op herstel te vergroten. Dat betekent echter niet dat de behandeling meteen opgestart moet worden.
Je kan de Screenigslijst voor Stotteren al zelf invullen. Bij een score van 11 of meer wordt geadviseerd om contact op te nemen met een stottertherapeut. Ook wanneer je zelf vragen hebt kun je gewoon contact opnemen met ons.
Hoe gaan we te werk?
Na een uitgebreid anamnesegesprek en observatie/onderzoek van het kind besluiten we samen of we monitoren of de therapie meteen opstarten.
Wanneer we besluiten om te monitoren leren we je hoe je heel precies de ontwikkeling van het stotteren van je kind kunt bijhouden. Hierdoor kunnen we zien of er sprake is van natuurlijk herstel. Ook geven we je enkele tips waarmee je thuis zelf aan de slag kunt. We hebben regelmatig een contactmoment om samen te kijken hoe het gaat.
Wanneer we besluiten om de therapie op te starten, kunnen we kiezen uit twee behandelmethodes voor jonge kinderen, namelijk therapie volgens het Demands and Capacities Model (DCM) of het Lidcombe Programma.
Stotteren bij kinderen
Wanneer een kind langer stottert, wordt de kans op herstel kleiner. Dat wil echter niet zeggen dat het onmogelijk is. Bij de therapie zullen we ons vooral richten op het ontspannen omgaan met het stotteren. Meestal is de stottertherapie een combinatie van ouderbegeleiding en directe therapie met het kind. We gebruiken onder andere de KIDS methode (Kinderen Mogen Stotteren). Hierbij leren we kinderen over hun eigen stotteren en gaan we samen op zoek naar manieren om om te gaan met hun stotters en reacties uit de omgeving.
Het belangrijkste doel is dat kinderen met plezier en zelfvertrouwen alle spreeksituaties tegemoet treden, al dan niet met stotters.
Jongeren en volwassenen
Stottertherapie is maatwerk en een proces. Samen gaan we op zoek naar wat stotteren voor jou betekent. We kijken naar wat we aan de oppervlakte zien, maar we hebben ook aandacht voor de gevoelens en gedachtes die zich onder oppervlakte afspelen. We willen samen met jou werken aan wat jij nodig hebt om je vrij in je communicatie te voelen.
Lindy Sevens geeft ook groepstherapie aan volwassenen die stotteren en meer vrijheid in het spreken willen ervaren. Meer informatie hierover vindt u hier
Broddelen is ook een stoornis in de vloeiendheid van het spreken. Broddelen kan op zichzelf staan of samen gaan met stotteren.
Iemand die broddelt is moeilijk te begrijpen of te verstaan omdat het spreektempo hoog of aritmisch is.
Door het hoge spreektempo worden woorden ineengeschoven (bijvoorbeeld tevisie in plaats van televisie) of wordt er binnensmonds gesproken. Soms is iemand die broddelt ook moeilijk te begrijpen door vreemde zinsstructuren, de vele stopwoordjes, woordvindingsmoeilijkheden of het niet afmaken van zinnen.
Ook bij spelling en het schrijven van teksten kunnen vergelijkbare problemen voorkomen.
Mensen zullen regelmatig vragen “Wat zeg je?”. Iemand die broddelt weet vaak wel dat er iets mis loopt in de communicatie, maar weet niet precies wat er misloopt. In tegenstelling tot stotteren verbetert het spreken bij broddelen direct bij meer aandacht voor het spreken. Hierdoor wordt het door de omgeving wel eens ten onrechte gezien als slordigheid. Hierdoor kan een broddelende spreker negatieve gedachten en gevoelens over zijn manier van communiceren ontwikkelen. Het kan spanningen en onzekerheid met zich meebrengen.
Vermoedelijk is broddelen terug te voeren op een onvoldoende rijping van het centrale zenuwstelsel wat gevolgen heeft voor de spraak- en taalontwikkeling. Pas wanneer de spraak- en taalontwikkeling is voltooid, rond 7-8 jarige leeftijd, kan de diagnose broddelen worden gesteld.
Vaak is er sprake van een erfelijke component: 85% van de mensen die broddelen heeft een familielid met een historie van spraaktaalmoeilijkheden of vloeiendheidsproblemen.
Hoe gaan we te werk?
Na een uitgebreid intakegesprek doen we onderzoek naar het broddelen. We onderzoeken dan de spraak en het schrijven. We kijken ook naar andere factoren zoals de gedachten, emoties en de omgeving. Pas dan kunnen we samen met jou een persoonlijk behandelplan opstellen.
Bij kinderen proberen we zo nauw mogelijk samen te werken met ouders, leerkrachten of remedial teachers om de spraak- en taalmogelijkheden zoveel mogelijk te verstevigen en te structureren.
De behandeling is vaak gericht op bewustwording van de eigen spraak en het spreektempo, training van ritme en intonatie, uitspraaktraining, het herkennen van woordstructuur en lettergreepuitstempeling, het formuleren van zinnen en de opbouw van een verhaal. Tijdens het hele traject hebben we aandacht voor de sociaal- emotionele componenten.
Het resultaat van de behandeling hangt, naast de ernst van het broddelen, af van jouw doorzettingsvermogen, concentratievermogen en motivatie. De behandeling kan ook met pauzes worden gegeven waarbij telkens op een andere specifieke hulpvraag of onderdeel van de communicatie kan worden ingezoomd.
De behandeling van eet- en drinkproblemen bij baby’s en jonge kinderen wordt preverbale logopedie of prelogopedie genoemd. Bij heel jonge kinderen kunnen er problemen voorkomen die te maken hebben met slikken, zuigen en kauwen. Een kind kan ook problemen ervaren met het drinken uit de borst of fles, het eten van een lepel, drinken uit een beker of het leren kauwen.
De verwijzing naar een preverbaal logopedist gebeurd altijd vanuit een arts. Dit kan een arts zijn van het consultatiebureau, de kinderarts of de huisarts. Zij gaan altijd eerst na of er een onderliggende medische reden is. Er kan een neurologische afwijking aan ten grondslag liggen of langere periode van sondevoeding. Samen met de logopedist wordt er gekeken naar de hulpvraag en wordt er indien nodig een video-opname gemaakt of geobserveerd tijdens een eet- of drinkmoment.
Ook kan er onderzoek worden gedaan naar de spierspanning, gevoeligheid in en rondom de mond en wordt er gekeken naar de aan- of afwezigheid van reflexen. Aan de hand van de resultaten uit het onderzoek, de video-opname of observatie kan de logopedist adviezen geven. Samen met jou gaat de logopedist proberen welke kleine aanpassingen al verbeteringen opleveren. Denk hierbij aan de manier van aanbieden, soort fles/lepel/speen en de houding. Indien nodig werkt de preverbaal logopedist samen met een (kinder)fysiotherapeut en/of diëtist.
Preverbale logopedie kan aan huis, dit dient een verwijzer te vermelden op de verwijzing.
Preverbale logopedie wordt door de zorgverzekeraar volledig vergoed, mits de logopedist geregistreerd staat als preverbaal logopedist. Astrid Martens is geregistreerd preverbaal logopedist.
Ieder kind communiceert op zijn of haar manier. Het ene kind neemt alles snel over en kan (verbale) communicatie goed inzetten om duidelijk te maken wat hij of zij wil. Het andere kind lijkt maar niet te willen gaan praten, wordt boos en gefrustreerd omdat hij zich niet duidelijk kan maken naar anderen. Niet tot nauwelijks sprekende kinderen hebben ook iets belangrijks te zeggen maar kunnen zich niet zo gemakkelijk uitdrukken dan andere kinderen van hun leeftijd.
Als richtlijn hanteren wij dat jouw kind met 2;0 jaar in 2-woordzinnen moet kunnen praten. Denk hierbij aan zinnetjes als: ‘papa auto’, ‘baby sape’ (baby slapen), ‘hond eten’.
De volgende richtlijn is dat jouw kind van 3;0 jaar voor 75% van zijn omgeving verstaanbaar moet zijn. Is dit niet het geval, is het verstandig om naar de logopedist te gaan. Na het anamnesegesprek wordt er een video-opname gemaakt van jou en jouw kind terwijl jullie aan het spelen zijn. Aan de hand van de observatie/video-opname kan de logopedist adviseren hoe je de (verbale) communicatie kan motiveren, leert je indien nodig om gebaren in te zetten ter ondersteuning van de communicatie en gaat samen met jou aan de slag om de communicatie van je kind te stimuleren.
Mogelijk zijn adviezen al voldoende om thuis ermee aan de slag te gaan en houden we telefonisch contact om de voorgang te bespreken. Indien er wel logopedische behandeling opgestart gaat worden, gaat dat eruit zien alsof er alleen gespeeld gaat worden. Op deze manier proberen we jouw kind zich veilig te laten voelen en een veilige omgeving te creëren. Er wordt veel gebruik gemaakt van concreet materiaal. De logopedist gebruikt vaak gebaren ter ondersteuning van de (verbale) taal, niet ter vervanging.
Twijfel je of ben je ongerust over de spraak- taalverwerving van jouw kind?
Dan kun je ook thuis de taaltest doen.
Gemiddeld ademen we 12 keer per minuut. Zo gebruiken we ongeveer 8000 liter lucht per dag. Om te ademen werken het middenrif, de borstkas, de luchtpijp, de longen en de adem- en buikspieren constant samen. Meestal gebeurt dit onbewust. Pas wanneer je je gaat inspannen merk je dat je sneller gaat ademen en dat je zelfs adem tekort krijgt. Ook bij stress gaat de ademhaling vaak hoger zitten. Dat komt omdat ons lichaam zich klaarmaakt om te gaan bevriezen, vluchten of vechten. Wanneer deze stresserende ademhaling lang aanhoudt, kan dat resulteren in hyperventilatie.
Hyperventilatie
Bij hyperventilatie is het adempatroon ontregeld. Dit kan voorkomen door drukte, spanning, stress, te weinig ontspanning enz. Het kan voorkomen dat je dan juist op een rustig moment last krijgt van ademnood.
Hierdoor ga je vaker en dieper ademhalen, terwijl je lichaam niet vraagt om meer adem. Hierdoor raakt de balans tussen zuurstof en koolzuur verstoort. Hierdoor kun je allerlei klachten krijgen zoals tintelingen, hartkloppingen, duizelingen, gevoel alsof je flauw gaat vallen, paniekaanval… Hyperventilatie kan een grote impact op je leven hebben en je erg onzeker maken.
Behandeling:
Tijdens een uitgebreid intakegesprek brengen we alle factoren die invloed hebben op je adempatroon en klachten in kaart. We onderzoeken samen met je waardoor je ademhaling zo van slag is geraakt. Daarna onderzoeken we je adempatroon. Bij de behandeling hebben we aandacht voor ontspanning, je ademhaling in rust, tijdens het spreken en tijdens lichamelijke inspanning, zodat jij weer kunt vertrouwen op je natuurlijke manier van ademhalen.
Astma
We onderzoeken je manier van ademen en kijken naar de gevolgen van de adembeweging op je stem, slikken en of er sprake is van zuurbranden en/of chronisch hoesten.
We geven uitleg over de ademhaling en advies over de ademhaling bij stemgebruik en over hoe je zo goed mogelijk voor je stem kunt zorgen. We kunnen je ook technieken aanleren waardoor chronische hoest kan verminderen. Verder kunnen we werken aan een optimale ademhaling en manier van stemgeven.
Buiten adem bij het spreken
Soms is het evenwicht tussen ademen en het spreken verstoord geraakt, bijvoorbeeld wanneer iemand te lang doorpraat op één ademhaling of juist omdat er te vaak tussendoor adem wordt gehaald.
We gaan eerst samen opzoek naar waar de klacht vandaan komt en welke factoren daarbij een rol spelen. Daarna bespreken we samen je persoonlijke behandelplan.
De training kan gericht zijn op meerdere elementen zoals het aanleren van een goede ademhaling tijdens het spreken, het leggen van de juiste adempauzes, maar ook de houding, manier van stemgeven, ontspanning en articulatie kunnen aan bod komen.
De meest voorkomende kaakklachten zijn pijnlijke of vermoeide kauwspieren, een beperkte of scheve mondopening en kaakgewrichtsgeluiden zoals knappen of een schurend geluid. Kaakklachten kunnen een uitstralende pijn naar de omgeving van het oor en het oor zelf geven. Zelfs hoofdpijn en nekpijn kunnen te maken hebben met stoornissen in het kauwstelsel. Dit kan heel vervelend zijn in het dagelijks leven.
Kaakklachten worden veroorzaakt, of in stand gehouden, door verschillende factoren. Vaak is overbelasting van de kauwspieren en het kaakgewricht een belangrijke oorzaak. Daarbij spelen verkeerde mondgewoontes een grote rol. Hierbij kun je onder andere denken aan tandenknarsen, klemmen, tongpersen, nagelbijten en lipbijten.
Samen brengen we je kaakklachten en de factoren die hierin een rol spelen in kaart. Wanneer verkeerde mondgewoontes een rol spelen, kunnen we je goede mondgewoontes aanleren. Zo kunnen we je leren hoe je op een goede manier kunt slikken en waar je je tong het best kunt plaatsen.
Eén keer in de 6 weken hebben we samen met een gnatholoog en orofaciaal fysiotherapeut een gezamenlijk kaakspreekuur. Hierbij werken verschillende disciplines samen om je de beste persoonlijke zorg te bieden in het behandelen van je kaakklachten.
Dit zijn gewoontehandelingen of –bewegingen die negatief zijn voor de gebitsstand, het spreken, het gehoor en de gezondheid. Hierbij kan je bijvoorbeeld denken aan habituele mondademhaling. Bij deze afwijkende mondgewoonte ligt de tong standaard laag en passief in de mond. Er wordt dan geen adem gehaald door de neus maar door de mond. Dit zorgt voor slappere mondspieren maar kent ook andere gevolgen zoals overmatig speekselverlies, droge mond, grotere kans op oorontstekingen en foutieve slik.
Samen met de logopedist gaan we zorgen voor een goede houding van je lippen, tong, kaak en de bewegingen ervan. Er zal o.a. gewerkt worden aan bewustwording, mondsluiting en pittige articulatie
Ook duim- of vingerzuigen is een afwijkende mondgewoonte. Het zuigen op een duim/vinger/speen is normaal bij een baby omdat zij nog een grote zuigbehoefte hebben.
Maar dit zuigen wordt een gewoonte en gaat een negatief gevolg hebben op de stand van de tanden, vorm van het gehemelte, de spraak, slik en slappe mondspieren. De logopedist kan hierin adviseren hoe dit afgebouwd kan worden en zal de logopedische behandeling afstemmen op jouw kind.
Logopediepraktijk Dialoog Valkenswaard
Dijkstraat 54
5554 PS Valkenswaard
KvK 60158956
Contactgegevens